1888 HERMETIC ORDER OF THE GOLDEN DAWN


"Maak een cirkel van een man en een vrouw, van daaruit een vierkant en van daaruit een driehoek. Trek dan een cirkel en ge zult de steen der Wijzen bezitten."
( Michael Maïer - Atalanta Fugiens, 1617 )

 

De ‘Hermetic Order of the Golden Dawn’ werd opgericht in Groot-Brittannië door Vrijmetselaars en leden van de ‘Societas Rosicruciana in Anglia’. De stichtters waren : Samuel Liddell MacGregor Mathers ( Deo Duce Comite Ferro - S’Rioghail Mo Dhream )( 1854 - 1918 ), William Robert Woodman ( Vincit Omnia Veritas )( 1828 - 1891 ) en William Wynn Westcott ( Non Omnis Moriar - Quod Scis Nescis - Sapere Aude )( 1848 - 1925 ).

Onderstaande ledenlijst is verre van volledig. Enkel de belangrijkste leden met hun inwijdingsnaam, voor zover bekend, worden vermeld.

Leden van de ‘Hermetic Order of the Golden Dawn’ waren : Charles Stanfeld Jones ( Achad ) ( 1886 - 1950 ), Israel Regardie ( Ad Majorem Adonai Gloriam ), Benjamin Cox ( Crux Dat Salutem )( 1828 - ), J.C. Fitzgerald ( Deus Meus Deus ), Mevr. M. MacKenzie ( Magna Est Veritas ), Mevr. Georgie Hyde-Lees Yeats ( Nemo ), Aleister Crowley ( Perdurabo ), Mevr. Emily Bates ( Pro Veritate ), Arthur Edward Waite ( Sacramentum Regis ), Anna Sprengel ( Sapiens Dominabitur Astris ), Mevr. Florence Farr Emery ( Sapientia Sapientii Dona Data )( 7/7/1860 - 29/4/1917 ), JamesThomas Windram ( Semper Paratus )( 1877 - 1939 ), Mevr. Florence Kennedy ( Volo ), Mina Bergson ( Moina Mathers ) ( Vestiga Nulla Retrorsum ) ( 28/2/1865 - 25/7/1928 ), Edward Munch, August Strindberg, Bram Stoker ( auteur van 'Dracula' ), William Alexander Ayton ( Quam Potero Adjutabo )( 1816 - 1909 ), Frederick Leigh Gardner ( Credo Experto ), Mevr. Pamela Bullock ( Soror Shemeber ), Robert Palmer Thomas ( Lucem Spero ), Edward Smith Nunn, William Butler Yeats ( Demon est Deus inversus )( 13/6/1865 - 28/1/1939 ), Allan Bennett ( 1872 - 1923 ), Paul Foster Case ( 3/10/1884 - 2/3/1954 ), Arthur Machen ( Filius Aquarii ), Dr. Felkim ( Finem Respice ) en nog vele anderen.

De reden tot de oprichting was een ontmoeting met de mysterieuze Duitse Anna Sprengel welke in het bezit was van oude documenten van de Rozekruisers.

Deze Orde werkte op dezelfde wijzen als de bestaande Rozekruisers met negen graden :

Zelator, Theoricus, Practicus, Philosophus, Adeptus minor, Adeptus major, Adeptus Exemptus, Magister Templi en Magus.

De orde kende tevens een binnencirkel genaamd ‘Ordo Rosae Rubeae et Aurea Crucis’ en een geheime Orde ‘Ordo Sanctissimus Rosae et Aurea Crucis’ geleid door Arthur Edward Waite.

Zij bestudeerden vooral de Hermetische traditie, de oude Rozekruisers, de Alchemisten, de Kabalah en de Tarot.

Een korte biografische schets van de drie oprichters van deze Orde bespraken we reeds in het hoofdstuk van de voorgeschiedenis van Groot-Brittannië. Naast deze drie leiders zijn er toch nog enkele spilfiguren die een belangrijke rol hebben gespeeld.

Moina Mathers

Mina Bergson werd in Genève, Zwitserland, geboren. Ze kwam uit een gezin van zeven kinderen. Haar broer was de filosoof Henri Bergson. Een van haar beste vriendinnen was Annie Hornimann die later de groter sponsor zou worden van de ‘Hermetic Order of the Golden Dawn’. Zij was afgestudeerd aan de academie als tekenaar.

In 1888 begon ze zich te specialiseren in Egyptische kunst. Op 16/6/1890 huwde zij Samuel Liddell MacGregor Mathers in de bibliotheek van het Hornimannmuseum. Mina Bergson werd Moina Mathers. Het was haar man die haar deze voornaam gaf. Het huwelijk van beiden was een verstandshuwelijk. Beiden hadden gezworen nooit enig sexueel contact met elkaar te hebben. Haar inwijdingsnaam was ‘Vestiga Nulla Retrorsum’ wat zoveel betekent als ‘ik kom nooit op m’n stappen terug’.

Moina was constant in de weer met het maken van het decorium voor de Golden Dawn zowel in Londen als in Parijs. Van haar is geweten dat zij de rol van hogepriesteres vertolkte in de Isis-rite van de Golden Dawn.

In 1892 vertrok zij samen met haar man naar Parijs waar ze samen in 1993 de ‘Ahathoor' tempel van de Golden Dawn stichtte. Na de dood van haar man op 20/11/1918 keerde Moina terug naar Londen waar zij de ‘Alpha en Omega’ Loge stichtte die ze negen jaar lang leidde. Zij stierf op 25/7/1928.

William Butler Yeats

William Butler Yeats ( 13/6/1865 - 28/1/1939 ) is zeker een van de grote figuren van de ‘Hermetic Order of the Golden Dawn’.

Als schrijver had hij een grote passie voor het occultisme en mysticisme. Bijna gans zijn oeuvre is er van doordrongen wat hem dan ook in 1924 de Nobelprijs voor literatuur bezorgde.

De grootvader van Yeats was een diepgelovig man in tegenstelling tot zijn vader. Deze tegenstelling heeft bij Yeats steeds een diepe indruk nagelaten. Yeats interesseerde zich reeds op zeer jonge leeftijd voor uitheemse godsdiensten en religies zoals het Budhisme en het Hindoeïsme. Dit laatste zorgde voor een snelle ontmoeting met Helena Petrovna Blavatsky. Het Theosofisch Genootschap was voor Yeats het antwoord op zijn zoektocht naar niet-Europese religies. Het duurde niet lang of Yeats werd een aktief lid van dit genootschap. Binnen het Theosofisch Genootschap bestond een binnencirkel onder de naam ‘esoteric section’. Ook hier werd Yeats zeer snel in opgenomen. Maar ook dit leek hem niet te bevredigen tot hij hoorde van de Hermetic Order of the Golden Dawn.

Het bestuderen van de esoterische achtergronden van de Westerse traditie was wat hij tenslotte zocht. Zijn eerste contacten met Liddle MacGregor Mathers waren dan ook een schot in de roos. Mathers had een diepe indruk nagelaten op de jonge dichter. Yeats bracht zijn laatste jaren door in het Zuiden van Frankrijk.

Florence Beatrice Farr

Florence Beatrice Farr ( 7/7/1860 - 29/4/1917 ) had de inwijdingsnaam ‘Sapientia Sapienti Dono Dato’ wat zoveel betekent als ‘Wijsheid is een gave geschonken aan de Wijze’.

Florence Farr was volgens astrologen een ‘natuurtalent’. Ze had haar Zon in huis twaalf wat betekent dat zij een natuurlijke aanleg bezat voor al wat verborgen en gesloten is. Haar vader, die een persoonlijke vriend was van Florence Nightingale was de reden van het bestaan van haar voornaam.

Er bestaan van haar talrijke schilderijen. Zij was bevriend met Jane Morris, de dochter van de Pre-Rafaëliet schilder Sir Edward Burne-Jones. Florence en Jane stonden geregeld model voor hem.

Florence Beatrice Farr behoorde tot de vrouwelijke vrijdenkers die samen kwamen om van gedachte te wisselen over kunst en politiek. Het was in deze omgeving dat zij de eerste contacten legde met leden van de Golden Dawn. Hier leerde zij George Bernard Shaw en William Butler Yeats kennen. In juli 1980 werd zij lid van de Golden Dawn. Zij was het 88° lid volgens het register van de Orde. Zij klom sterk op in de hiërarchische structuur van de Orde en werd een van de leden die het voorrecht had om wijzigingen aan te brengen in de rituelen van de Orde. Zij was sterk bevangen door Egyptische kunst en de Alchemie van Thomas Vaughan de eerste die de Fama Fraternitatis vertaalde. Tot haar vrienden behoorde eveneens Sir E. Wallis Budge en William Ayton. Haar interesses gingen eveneens naar het Enochiaanse systeem van de Orde en naar de I Tjing ( een Chinees orkakelsysteem ). Zij was goed bevriend met Allan Bennett. Zij schreef enkele kleine werken vooral voor de Orde. Haar studies waren het resultaat van het bestuderen van de oude teksten uit het British Museum. Zij gebruikte Egyptische teksten om de rituelen van de Golden Dawn aan te passen. Zij schreef een opmerkelijk werk waar ze duidelijk de verbanden aantoonde tussen de Egyptische kennis en de Middeleeuwse alchemie.

Het was Florence Beatrice Farr die in 1897 Westcott opvolgde.

Allan Bennett

De chemicus Allan Bennett ( 1872 - 1923 ) was opgevoed door zijn moeder die als een weduwe door het leven ging. Zijn opvoeding was streng rooms-katholiek. Hij was al op zeer jonge leeftijd aktief in de Golden Dawn.

Het eerste contact dat hij had was met Aleister Crowley. Allan Bennet was eveneens sterk bevriend met de familie Mathers. Hij verbleef geregeld voor enkele dagen bij hen. Zijn invloed op de Golden Dawn was zeker niet zo groot als die van Mathers, Westcott, Annie Hornimann of Yeats. Bennett was de eerstehand helper van Mathers om hem bij te staan in de organisatie van de Orde. Veel van zijn taken werden later overgenomen door Aleister Crowley. Het ganse Liber 777 van Crowley was materiaal dat Allan Bennett had verzameld.

Bennett was een groot voorstaander van rituele magie. Het is dan ook niet verwonderlijk dat hij hierin een belangrijke rol speelde.

Bennett verliet echter de Orde en werd een overtuigd Boeddhist. Hij kreeg de naam van Swami Maitrananda en Ananda Metleya. Hij leefde als een Bhikku te Birma.

Na enkele jaren stichtte hij een Boeddhistische Loge in Groot-Brittannië en ontwikkelde de ‘Buddhist Society’. Hij leefde een armzalig bestaan op een klein gehuurd kamertje met een tafel en één stoel en een drietal boeken. Allan Bennett stierf straatarm in 1923.

Ontstaan van de Orde

Het prille begin van de ‘Hermetical Order of the Golden Dawn’ situeert zich in het jaar 1881 toen Mathers, Woodman en Westcott, alle drie leden van de ‘Societas Rosicruciana in Anglia’, het idee opperde om een eigen Orde te stichtten.

Het idee nam definitief een concrete vorm aan vanaf 1887 toen ze de ‘Cypher’manuscripten ontdekte. Het bleek een manuscript te zijn van de hand van Johannes Trithemius (1462-1516). Het manuscript kwam volgens sommigen uit een Vrijmetselaarsbibliotheek volgens anderen was het een eigen creatie van een van de drie Ordeleiders.

Het was vooral Mathers dat het manuscript ter harte nam en van deze in code geschreven tekst vijf inwijdingsrituelen destilleerde. Dit werden de eerste vijf inwijdingsrituelen van de Orde. Op het manuscript bevond zich de naam en het adres van een zekere Fraulein Anna Sprengel uit Duitsland. De meeste onderzoekers geloven eerder dat Mathers dit verhaal heeft verzonnen om een ‘autenticiteit’ te geven aan het manuscript dat afkomstig zou geweest zijn van de Gouden Rozekruisers uit Duitsland. Nochtans zijn er andere en niet minder belangrijke aanknopingspunten te vinden met sommige rituelen die we kennen van Eliphas Lévi. De drie stichters van de Orde waren goed op de hoogte van de werken van Eliphas Lévi. Hij was, zoals we dit reeds vermeldde, de spirituele leraar van Kenneth MacKenzie die eveneens lid was van de ‘Societas Rosicruciana in Anglia’. De indirekte opvolgers van Eliphas Lévi - Stanislas de Guaita, Joséphin Péladan en Gérard Encausse ( Papus ) - kenden eveneens deze rituelen. Papus werd trouwens te Parijs in de ‘Ahathoor’ tempel van de Golden Dawn ingewijd. Deze tempel was de vijfde op een rij.

In 1888 werden de eerste leden gerecruteerd. In tegenstelling tot de S.R.I.A. werden eveneens vrouwen tot de Orde toegelaten. De eerste tempel van de Golden Dawn ontstond in Londen met de naam ‘Isis-Urania’.

Na het huwelijk van Mathers met Moina Bergson in 1890 werd in 1893 de ‘Ahathoor’ tempel gesticht te Parijs door Mathers en zijn vrouw. Deze tempel was de vijfde op een rij. De tweede en derde tempel ontstonden respectievelijk in oktober 1888 te Weston-super-Mare en te Bradford onder de veelzeggende namen ‘Osiris’ tempel en ‘Horus’ tempel. De vierde tempel ‘Amon-Ra’ ontstond in 1893 te Edinburgh. Er volgden nog twee tempels ‘Thot-Hermes’ en ‘Themis’ in 1895 te Chicago en Philadelphia. Deze twee laatsten waren de eerste tempels van de Orde in de Verenigde Staten. Er ontstond nog een Tempel te Londen in 1900 met de luisterrijke naam van ‘Alpha et Omega’. Lezers die deze Orde kennen zullen opmerken dat dit niet de klassieke telling is van de Tempels van de Golden Dawn. Dit verklaart zich door het feit dat de eerste twee tempels ‘Licht, Liebe und Leben’ gesticht in 1870 te Neurenberg door Anna Sprengel en de ‘Harmanoubis’ tempel gesticht in 1889 door een zekere dr. Thyssen te Luik ( Liège ) in deze studie niet worden meegeteld. Van deze twee tempels werd tot op heden nog geen bewijs gevonden of ze wel ooit hebben bestaan. Steven R. Cranmer, historicus van de Golden Dawn, heeft hieromtrent eveneens zijn twijfels.

Het is ongetwijfeld dat de ‘Hermetic Order of the Golden Dawn’ haar grootste bloei kende in de jaren 1888 tot 1900.

Vanaf 1900 beginnen de eerste splitsingen. In 1900 revolteert Annie Hornimann, lid van de Isis-Urania tempel, tegen Mathers. Er ontstond een financieel schandaal waarbij vele leden van de Orde door een Amerikaans echtpaar werden opgelicht. Vanaf de eeuwwisseling ontstaat er de ene afscheuring na de andere. Edward Alexander ( Aleister ) Crowley ( 1875 - 1947 ), die lid was sedert 1898, nam vanaf 1903 de touwtjes in handen. Hij publiceerde enkele rituelen van de Golden Dawn in 1909. Hij stichtte zijn eigen Orde in 1907 onder de naam ‘Argentum Astrum’ ( of ‘Astrum Argon’ of ‘Aster Argos’ ).

Een andere scheurgroep in 1903 was de ‘Stella Matutina’ onder het gezag van dr. Robert William Felkin ( Finem Respice ). Deze Orde bleef bestaan tot in de jaren 1970.

Violet Mary Firth ( Dion Fortune ) ( Deo Non Fortuna ) stichtte haar ‘Society of the Inner Light’ in 1922. Dion Fortune schreef een prachtig boek over de Kabalah ‘The Mystical Qabalah’.

De lijst is niet volledig. We kennen inmiddels een dertigtal scheurgroepen of Ordes die zich verwant voelen aan de Orde van de Golden Dawn.

De belangrijkste zijn :

Alpha et Omega 2’ gesticht in 1913 te Edinburg, ‘Hermes’ gesticht in 1916 te Bristol, ‘Merlin’ gesticht in 1916 te Londen, ‘Fellowship of the True Rosy Cross’ ( Salvator Mundi ) gesticht in 1916 te Londen, ‘School of Ageless Wisdom’ gesticht in 1920 te Chicago door Paul Foster Case ( zie hoofdstuk ‘The Builders of Adytum’), de ‘Order of Light’ gesticht in 1902 te Bradford, ‘Harmanoubis’ gesticht in 1930 te Bristol, ‘Builders of Adytum’ gesticht tijdens de jaren 1920-1937 te Los Angeles door Paul Foster Case, de ‘Order of the Morning Star’ gesticht in 1945 te Londen en de ‘Order of the Cubic Stone’ gesticht in 1965 te Wolverhampton.

De Orde vandaag onderhoud broederlijke contacten met talrijke van deze afscheuringsgroepen of Ordes die autonoom bestaan en gelijkaardige doelstellingen nastreven. Er is wel een opmerkelijke afkeer voor de Rozekruisersorde AMORC.

De Ordes waarmee zij contacten onderhouden zijn : August Order of Light ( met verschillende afdelingen in Groot-Brittannië ), Builders of the Adytum, Brotherhood ( Church ) of Light, Fraternitas LVX Occultas ( meestal FLO genoemd ), opgericht door Paul A. Clark in de jaren 1980, een drietal Ordes met dezelfde naam zijnde Hermetic Order of the Golden Dawn, waaronder die van Israel Regardie, Servants of Light of volgelingen van Dion Fortune, Societas Hermetica LVX Aureae-Rubeae, Society of the Inner Light ( de directe opvolgers van de school van Dion Fortune ), Temple of Thelema opgericht in 1989 door Jim Eshelman, Phyllis Seckler en Anna-Kria King, Thelemic Golden Dawn beter bekend als Novus Ordo Aurora Aureae, Themis Aurea Temple opgericht door Charles E. Meyer en tenslotte de Thot-Hermes Temple opgericht door Chris Zalewski in de beginjaren 1980.

Ook deze lijst is niet volledig en beperkt tot die die reeds indeze studie werden besproken of nog zullen worden besproken.

Een ander fenomeen dat in de ganse literatuur van de Golden Dawn voorkomt is hun nummering van de inwijdingsgraden. Er zijn tien inwijdingsgraden voorafgegaan door een algemene inwijdingsgraad die Neophiet wordt genoemd. De tien inwijdingsgraden corresponderen met de Sephiroth van de kabbalistische Otz Chim ( Levensboom ). De Golden Dawn behoort hiermee tot de kabbalistische traditie. Men kan de inwijdingsgraden laten tellen van de eerste tot de laatste Sephiroth of van de laatste tot de eerste Sephiroth. Hierdoor bekomen we een systeem dat er als volgt uit ziet :

Eerst de ‘Neophiet’ graad gevolgd door : 1=10 Zelator, 2=9 Theoricus, 3=8 Practicus, 4=7 Philosophus, 5=6 Adeptus Minor, 6=5 Adeptus Major, 7=4 Adeptus Exemptus, 8=3 Magister Templi, 9=2 Magus en 10=1 Ipsissimus.

Anna Sprengel en de Cypher manuscripten

In het hoofdstuk van de ‘Fratres Lucis’ zagen we dat in Frankfurt am Mein een loge bestond met de naam ‘Chabrath Zerek Aour Bokhr’ of ‘Hermetic Order of the Golden Dawn’. Een nog betere vertaling luidt ‘Genootschap van het Schijnende Licht van de Dageraad’.

Gershom Gerhard Scholem zegt in zijn boek ‘van Berlijn tot Jeruzalem’ dat er een Joodse Vrijmetselaarsloge bestond in Frankfurt am Mein onder deze naam.

Deze loge praktizeerde de ritus van Baron von Hund (1). Het zou uit deze omgeving zijn dat de Cyper-manuscripten afkomstig waren.

Deze zelfde loge stichtte in 1817, onder de leiding van de hertog van Sussex, een loge naar hetzelfde model als die van Frankfurt am Mein en had bijgevolg directe connecties met de loge uit Duitsland. Volgens dr. William Westcott werd Edward George Bulwer-Lytton in deze loge ingewijd. De Duitse loge zou zijn opgeheven omstreeks 1850. Wat er met de Engelse loge was gebeurd is niet duidelijk.

Een van de leiders, van de in 1817 opgerichte loge, was een zekere Falk, zoon van Rabbi de Falk ( 1708 - 1782 ), die een bekend kabalist was.

Of de Imperatrix Fraulein Sprengel van de Duitse Rozenkruisersorde ooit heeft bestaan is niet bewezen en zeer twijfelachtig. Een andere hypothese zegt dat Fraulein Sprengel een ‘codewoord’ zou kunnen zijn van het Duitse woord ‘sprengelrecht’. Dit betekent ‘territoriale jurisdictie’.

Vandaag beweren er talrijke Ordes afkomstig te zijn van de ‘Hermetical Order of the Golden Dawn’. Doch denken we mogen te stellen, zoals de overgrote meerderheid van historici dit doen, dat geen enkele bestaande Orde een rechtstreekse opvolger is van de oorspronkelijke Orde. Zelfs Israël Regardie, die inderdaad een van de laatste leden was van een van de afgesplitste Ordes en die bovendien niet over alle inwijdingsrituelen beschikte, mag niet gerekend worden onder de rechtstreekse opvolgers van deze roemrijke Orde.

Edward-Alexander ( Aleister ) Crowley ( 12/10/1875 - 1/12/1947 )

Edward-Alexander Crowley werd geboren te Leamington in de omgeving van Manchester. Aleister Crowley groeide op in een typisch puriteinse familie. Vooral zijn moeder was zeer gelovig. Op 8-jarige leeftijd kwam hij in een internaat terecht waar hij streng godsdienstig werd opgevoed. Op 20-jarige leeftijd schrijft hij zich in aan het Trinity College te Oxford. Toen zijn ouders in 1897 stierven erfde hij een groot fortuin. Vanaf dan begint zijn levenswandel grondig te veranderen. Uit die periode dateert ook zijn naam Aleister die hij zichzelf had gegeven.

Op deze leeftijd krijgt hij interesse voor hermetische literatuur en al wat met occultisme heeft  te maken. Hij leert in 1898, toen hij in Zermatt ( Zwitserland ) vertoefde, de alchemist Julian Baker kennen. Via Baker ontmoette  Crowley - George Cecil Jones - die hem initieerde in de Golden Dawn. In deze orde kreeg hij de nomen mysticum ‘Perdubaro’. Hij zou vrij snel uitgroeien tot een van de leiders van de Golden Dawn.

Wanneer hij in Londen aankwam huurde hij een vrij luxueus appartement samen met Allan Bennett. Van Bennett leerde hij veel Oosterse filosofie en het gebruik van hallucinogenen. Allan Bennett verliet Londen om in het Verre Oosten zijn weg te gaan.

In 1900 vertoefde Crowley te Parijs. Daar begon hij aan de grondbeginselen van zijn eigen Orde. Enkele jaren later zou hij zich afscheuren van de Golden Dawn. Kort na zijn bezoek aan Parijs scheepte hij in voor Mexico. Daar ontmoette hij José Medina een kenner van de pre-columbiaanse cultuur. Zijn vriend Eckenstein vervoegde hem en samen verkenden ze de bergen van Zuid-Amerika.

Gedurende enkele maanden vertoefde Crowley in Indonesië en in andere Aziatische landen waaronder Japan. Daar werd hij verliefd op een Amerikaanse met de naam Alice. Crowley droeg enkele gedichten aan haar op. Hij reisde verder door naar Ceylon waar hij zijn oude vriend Allan Bennett opzocht. Daar werd hij ingewijd in het Tantrisme. Hij reisde verder samen met Eckenstein via Birma naar het noorden van Indië. Samen beklommen ze de Chogo-Ri op een hoogte van meer dan 8000 meter. Deze tocht zou hij later in 1905 hernemen.

Op 14 oktober 1902 is Crowley in Cairo. Even later reist hij verder naar Marseille. Een vriend van hem, Gerard Kelly, biedt hem een onderkomen aan te Parijs midden in Montparnasse. Daar ontmoet hij Rodin, Rilke, Somerset en vermoedelijk nog anderen. In dezelfde omgeving leerde hij Rose Kelly kennen, zuster van Gerard Kelly. Hij wordt smoor verliefd en huwt haar. Het huwelijk gaat door in Egypte.

Samen huren ze een villa in Cairo. Rose Kelly blijkt over mediamieke gaven te beschikken. Aleister kon gebruik maken van deze gave en zo ontstond het verhaal van een spiritueel leider Aïfas genaamd die leefde in 1750 voor Christus. Deze ‘spirituele leider’ gaf hem de opdracht een nieuwe Orde op te richten onder de naam ‘Astrum Argentinum’.

In Cairo leerden beiden Soleïman ben Aïffa kennen die hen inwijdde in de sexuele magie. In deze periode ontstond het idee van Crowley om zich te identificeren met het ‘Beest’, het getal ‘666’, uit de openbaring van Johannes. Aïffa dicteerde hem hier het beroemde boek ‘The book of the Law’ of ‘Al liber legis’ welke de leerstellingen bevatte van het ‘Astrum Argentinum’.

Crowley reisde samen met zijn vrouw naar China, Indië en Zuid-Afrika. Rose Kelly begint meer en meer verslaafd te geraken aan alcohol. Het verhaal eindigt dan ook met haar dood tengevolge van een delirium tremens.

In 1908 gaat Crowley op zoek naar de mysteriën van de ‘Assouias’. Deze muselmaanse broederschap, die in de woestijn leefde, kende een aantal geheimen die Crowley graag met hen wilde delen. Zijn zoektocht bleek echter tevergeefs en het scheelde geen haar of hij was haast omgekomen van dorst.

Na zijn terugkomst in Londen begon hij het tijdschrift ‘Equinox’ uit te geven en stichtte zijn eigen Orde met de naam ‘Astrum Argentinum’. Hij vond ook aansluiting met de Misraïm-Ritus die op dat ogenblik onder de verantwoordelijkheid viel van Theodor Reuss, O.H.O. van het ‘Ordo Templi Orientis’ (2). De eerste leden van zijn ‘A.A.’ waren de dissidenten van de Golden Dawn.

In 1914 is Crowley in Zwitserland. Na een kort verblijf reist hij naar de Verenigde Staten in gezelschap van Edith. Hij is zo goed als bankroet. Al zijn rekeningen zijn geblokkeerd. Maar hij vond snel een nieuwe bron van inkomsten door tempels op te richtten in New-York en later in Boston.

Kort hierna leert hij Silvester Vireck kennen, die later bekende een geheim agent van Duitsland te zijn. Door deze ontmoeting geraakt Crowley verwikkeld in de onafhankelijkheidstrijd van Ierland.

De nodige avonturen bleven niet uit en Crowley verhuist naar Zuid-Amerika. Daar geeft hij veel lezingen, niet alleen over occulte en mystieke onderwerpen, maar ook over politieke onderwerpen. Ook dit verhaal kent zijn weerga niet nadat Crowley letterlijk voor lege stoelen komt te staan omdat hij vervolgd werd door de politiediensten. Hij krijgt een onderkomen aangeboden door de rijke schrijver William Seabrook in Atlanta.

In 1919 riskeert Crowley een overstap naar Groot-Brittannië. Daar wordt hij door de politie ondervraagd. Het onderzoek leidt evenwel niet tot een veroordeling. Crowley gaat vrijuit.

Kort hierna verhuist hij naar Frankrijk en vestigt zich te Fointainebleau - in de rue de Neuville. Hij bouwt het hele huis om en maakt plaats voor een tempel en een vergaderruimte.

Na dit avontuur verhuist hij naar Cefalu in Sicilië. Hij sticht er een ‘Thelema’-abdij en trekt er enkele discipelen aan. Onder de bescherming van de plaatselijke burgemeester, die trouwens een van zijn discipelen werd, begint Crowley aan zijn ceremoniële magie, doorspekt met allerlei elementen en collectieve erotische experimenten.

Ook dit verhaal kent snel een einde na een ingrijpen van de Italiaanse overheid.

Crowley beland in Tunis en sticht er het ‘Collegium Hermeticum’. Kort hierna verhuist hij naar Parijs waar hij uitgeput van al zijn avonturen een hotelkamer huurt. Hij wordt nog gesignaleerd in Tunis en in Duitsland. In Duitsland ontmoet hij weer een vrouw dat voor korte tijd zijn gemalin werd. Ondanks de vervolgingen in Duitsland, omtrent al wat met occultisme te maken had, bleek Crowley niet bevreesd te zijn. Teruggekeerd in Parijs, waar hij onmiddellijk werd uitgewezen, belandde hij in Portugal. Volgens sommige bronnen zou hij daar een poging tot zelfmoord hebben ondernomen.

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was Crowley in Hastings. Crowley stelt zich op tegen het Nazisme en stelt Churchill voor om met ‘magische technieken’ de oorlog te winnen. Hij krijgt geen gehoor. Hij creëert weer een kring van discipelen. Hij wordt ernstig ziek en vervloekt zijn arts die hem weigert morfine toe te dienen om z’n pijnen te kunnen doorstaan. Hij sterft op 1/12/1947 ten gevolge van een hartaanval. Zijn behandelende arts sterft de dag nadien in een auto-ongeval. Zijn onmiddellijke discipelen organiseren een begrafenis met de nodige ‘heidense’ rituelen welke weer een, zij het dan laatste, schandaal doen ontstaan.


(1) Zie hoofdstuk ‘1717 Vrijmetselarij’

(2) O.H.O. = Outer Head of the Order

1