BROEDERSCHAPPEN IN DE MIDDELEEUWEN


Nostra operatio est naturam mutatio
( Ons werk is een natuurlijke mutatie )

In deze periode wordt onze Westerse cultuur geleidelijk aan beïnvloed door de Arabische kunsten en wetenschappen die tijdens de Moorse bezetting geïntegreerd worden.

Er bestaan theologische centra zoals Chartres met als hoofdfiguur Bernard Silvester en Guillaume de Conches ( 1080 - 1145 ). Naast deze centra zijn er nog individuele theologen-esoterici zoals Alain de Lille ( 1114 - 1203 ) met het boek ‘Deplanctu naturae’ en de mystieke-theosofische teksten ‘Scivias’ van Hildegard von Bingen ( 1098 - 1180 ).

De eerste teksten, waar we Arabische elementen vinden, dateren van de 13° eeuw. Averroes ( Abul Walid Muhammed Ibn Achmed Ibn Roesjd )( 1126 - 1198 ) interpreteert Aristoteles onder de invloed van de Arabische filosoof en alchemist Avicenna ( 980 - 1036 ). De Arabische naam van Avicenna is Al-Hussein Abou-Ali Ben Abdallah Ebn Sinna. De invloed van deze laatste wordt zelfs zo groot dat we kunnen spreken van Averoïsme. We vinden er een poging tot syncretisme tussen theologie, cosmologie en alchemie.

De geschriften die we onmiddellijk na deze periode kennen staan meer en meer onder invloed van de Arabische alchemistische traditie. Dit is ondermeer te vinden in het ‘Speculum Naturale’ ( 1245 ) van Vincent de Beauvais, de ‘Rerum Proprietatibus’ ( 1230 ) van een zekere Bartholomeus bijgenaamd Bartholomeus van Engeland.

Reeds rijpere werken vinden we bij Joachim de Fiore ( 1130 - 1202 ) een priester die tot de Cisterciënzerorde behoorde. Deze laatste is de New-ager van de Middeleeuwen. De Fiore verdeelt de wereldgeschiedenis in drie grote tijdvakken. Het tijdperk van de Vader of de Zon gevolgd door dat van de Heilige Geest. Het derde tijdperk is dat van de Verlichting welke hij geleid ziet door Spirituele leraars.(1) Joachim de Fiore heeft zijn invloeden laten gelden op Dante en op andere denkers uit de dertiende en veertiende eeuw. Niet onwaarschijnlijk heeft Tommaso Campanella ook hier zijn inspiratie gevonden voor zijn ‘Civitas Solis’.

De laat-Middeleeuwse schrijvers zijn : Raimondus Lullus ( 1235 - 1316 ) schrijver van 'Clavicula' en leerling van Arnoldus de Villanova, Johannes Scotus Eriugena, met reeds Kabbalistische invloeden, en Nicolas de Cusa ( 1401 - 1464 ) met het boek ‘De pace fidei’ uit 1453.

Een bekend alchemistisch geschrift uit deze periode - twaalfde eeuw - is de ‘Turba Philosophorum’. De ‘Aurora consurgens’, onterecht toegeschreven aan Thomas van Aquino, kende een grote bekendheid in de dertiende eeuw. Marie-Louise von Franz ( 1915 - 1998 ) maakte er een uitgebreide studie van welke verscheen in 1957 als aanvulling op de ‘Mysterium Conjunctionis’ van Carl Gustav Jung.(2)

Een minder bekend werk van de hand van Moyhiddin ibn Arabi ( 7/8/1165 - 1240 ), geboren in Andaloesië, verscheen voor het eerst in 1981. Dit werk geeft ons een duidelijke visie van de alchemie in zijn transitieperiode tussen de Arabische en Europese alchemie.

De Catalaan Arnoldus de Villanova ( 1235 - 1311 ), het ‘Rosarium Philosophorum’, Petrus Bonus met de novellen van Pretosia Margarita en de in Parijs werkende Nicolas Flamel ( 1330 - 1417 ) vormen hoogtepunten in de Alchemie. Flamel schreef een merkwaardig boek 'Rose mystique'.

Kabbalistische werken zoals de Sepher Yetzirah wordt aangevuld met de ‘Sepher ha Bahir’ en de ‘Sepher ha Zohar’ tussen 1200 en 1275. Een groot mysticus uit deze periode is Abraham Abulafia ( 1240 - 1291 ) afkomstig uit Saragossa.

De invloeden op de kunst

De grootste invloed van de esoterische filosofie vinden we in de kathedralen uit de 12° en 13° eeuw. De gotische kathedralen zijn de ons bekendste figuratieve voorstellingen van het Christendom.

Het voorportaal van de Notre-Dame te Parijs toont ons referenties naar de alchemie. De kathedraal van Chartres is een voorbeeld van astrologische invloeden. Talrijke andere kathedralen bevatten symbolen uit de tradities van de Middeleeuwen.

Het ontstaan van de Tarotkaarten en duizenden alchemistische tekeningen hebben ons een uitzonderlijk patrimonium nagelaten uit deze periode. Een uitzonderlijke iconografie zal getuige blijven van deze periode uit de geschiedenis.

In deze jaren ontstaat in de literatuur de Graallegende en de legende van koning Arthur. Chrétien de Troyes ( 1135 - 1183 ) en Robert de Boron gaven ons de invloeden uit de Keltische cultuur. De legende van Joseph van Arimathea, die het bloed van Christus had meegebracht, kent tevens in deze ‘duistere’ periode zijn oorsprong.

Chrétien de Troyes was hofdichter van Maria de hertogin van Champagne. Nadien werkte hij aan het hof van Filips van Elzas, graaf van Vlaanderen. Hij schreef in totaal vijf ridderromans die tot vandaag een grote invloed hebben ‘Erec et Enide’, ‘Cligès’, ‘Lancelot’, ‘Yvain’ en ‘Perceval’ dat onvoltooid is gebleven. Het boek ‘Perceval’ werd de inspiratiebron voor het boek ‘Parzival’ van Wolfram von Eschenbach’. Een van de verdienste van Chrétien de Troyes is dat hij een van de eersten was die de werken van Ovidius vertaalde.

In 1210 ontstaat met Wolfram von Eschenbach ( 1170 - 1220 ) de legende van Parzival. ‘Der junge Titurel’ van de hand van Albrecht van Schwarzenberg is een episch verhaal uit 1260. Dit verhaal alludeert naar de Tempel van Salomon en het Hemelse Jeruzalem.

In 1230 schreef Guillaume de Louris ( 1210 - ) ‘Le Roman de la Rose’ verder voltooid door Jean de Meung pseudoniem voor Jean Clopinel ( 1240 - 1305 ).

Ook de schilderkunst kende haar hoogtepunt in talrijke afbeeldingen die elk esotericus beroerd. Hieronymus Bosch ( 1450 - 1516 ) en Pieter Breughel de Oude ( 1525 -1569 ) zijn volgens esoterici voorbeelden te noemen. Deze ‘duistere’ Middeleeuwen vormen in de ganse geschiedenis van het occultisme, mystiek en esoterisme een hoogtepunt dat niet meer gezien was sinds de Egyptische beschaving.

De Feodale Periode : de Katharen

Vanaf de 13° eeuw beginnen zich in het Zuiden van Frankrijk ketterse ideeën te ontwikkelen. Ze groepeerden zich vooral in de steden Toulouse, Carcassonne, Bézier, Albi en Agen, de streek tussen de Dordogne en de Pyreneeën. Ook Italië kende op zijn beurt een aantal kernen van deze zogenaamde ketters. We kennen hen als de Albigenzen, genaamd naar de stad Albi. Ze zijn ons beter bekend als de Katharen. De naam Kathaar is afkomstig van het Grieks ‘catharsis’ wat ‘zuivering’ betekent. Hun gedachtengoed was strikt dualistisch wat een herhaling was van het Zoroastrisme, het Mithrasisme en Manicheïsme. Goed en Kwaad waren de pijlers van hun filosofie. De wereld was geschapen door Satan, de Duivel of Lucifer. De menselijke ziel moest steeds incarneren en om die reden moesten ze zich ‘zuiveren’ van al wat aards was. Zij waren gekant tegen elke vorm van geweld. Ze kenden cyclische perioden om te vasten. Ze waren vegetariër. Ze verzette zich tegen de Kerkelijke rituelen zoals doop, huwelijk en begrafenis. De Eucharistieviering was voor hen het toppunt van ontheiliging en beschouwden zij op hun beurt als paganistisch. Zij kenden geen formeel huwelijk. Mannen en vrouwen leefden op voet van gelijkheid. De vrouw werd zelfs eigendomsrecht toebedeeld. Men noemde ze dan ook de ‘Bonshommes’ ( goede mensen ). Ze waren verdeeld in twee categorieën : de ‘croyants’ en de ‘parfaits’. Ze hadden een eigen theologie en hadden hun eigen bisschoppenconferenties. De twee bekendste zijn de conferentie van Caraman in 1167 en Razes in 1225. De bekendste verdedigers van de Katharen waren de Troubadours die hun ideeën bezongen in hun liederen. Dat de Katharen onder invloed stonden van de Arabische cultuur via Spanje is een vaststaand feit.

Dat de officiële Kerk niet opgezet was met de Kathaarse ideeën weten we uit de geschiedenis van de 13° eeuw. Paus Innocentius III begon in 1204 een ware Kruistocht tegen de Katharen met de hulp van Abbé de Citeaux, Pierre de Castelnau en Raoul de Fontfroide. In 1206 werd Dominicus, een Spaanse monnik, mee ingeschakeld. In 1208 werd de pauselijke gezant Pierre de Castelnau in de Languedoc vermoord door onbekenden. Dit was voor de Kerk de reden bij uitstek om de Katharen, die al lang werden vervolgd, alle schuld aan hen toe te schrijven. Nog voor de oprichting van de Inquisitie riep Simon de Montfort dertigduizend gewapende manschappen bij elkaar en vielen plunderend en moordend de Languedoc binnen. Het bevel kwam van de pauselijke vertegenwoordiger. Er vielen duizenden doden onder mannen, vrouwen en kinderen. Iedereen die verdacht werd het kathaarse geloof aan te hangen werd afgemaakt. Vooral de stad Béziers kreeg het sterk te verduren. Naar schatting werden alleen in deze stad vijftienduizend mensen gedood. Dit was nagenoeg de ganse bevolking. De macabere datum, 22 juli 1209. Later volgde Carcassonne.

Simon de Montfort, zelf gedood tijdens de strijd tegen de Katharen, werd opgevolgd door zijn zoon Amaury de Montfort. Na de inzet van de Inquisitie werden de vervolgingen tot een maximum opgedreven.

De uitroeingsstrijd duurde twintig jaar. De laatste vestiging was Montségur welke in maart 1244 belegerd werd. Deze burcht gaf het ontstaan aan de mythe van de Graallegende. De heilige Graal die, zo vertelt ons de traditie, alle kennis bezat van de Katharen. De uitroeingsmanie eindigde officiëel in 1255 na de val van Queribus.

Hetzelfde Katharisme zou later de ‘Orde van de Tempel’ beïnvloeden. Bertrand de Blanchefort die de zesde Grootmeester was van de Orde van de Tempel was zelf een Kathaar.

De Orde van de Tempel 1118

De Orde van de Tempel werd opgericht op 27/12/1118 onder het leiderschap van Hughes de Payns en acht andere ridders: Geoffrey de Saint-Omer, Geoffrey, Godemar, Roral, Payens de Mondidier, Geoffrey Bisol, Archambout de Saint-Amands, André de Montbard ( oom van Bernard de Clairveaux ). De Orde werd onmiddellijk erkend door Koning Boudewijn II van Jeruzalem en kreeg van meet af aan haar hoofdkwartier in Jeruzalem naast de Tempel van Salomon.

In 1128 keerde de Payns terug naar Frankrijk en kreeg daar steun van Bernard de Clairvaux ( 1090 - 1153 ), kozijn van Hughes, die de meest invloedrijke klerikaal was op dat ogenblik. De Payns vroeg via de Clairveaux steun van de Paus van Rome. De Orde werd erkend door de Kerk op 14/1/1128 op het Concilie van Troyes. Dankzij de inzet van Bernard de Clairveaux en zijn missie naar de Paus werd de Orde een bestseller in West-Europa. Binnen enkele tientallen jaren was het de grootste en rijkste Orde in Europa.

Het heilige land was in 1291 door de Christenen verloren aan de Moslims. De Orde van de Tempel ( de Tempeliers ) kregen hierdoor de kans om zich te laten inwijden in talrijke Oosterse inwijdingsgenootschappen en konden de cultuur van de Moslims mee integreren in hun eigen filosofie. Ze maakten er kennis met de Kabbala van de Joden, de Alchemie van de Moslims, het Gnosticisme van de eerste Christenen. De Orde wist zich sterk te handhaven. Zij had bijvoorbeeld een eigen financieel systeem ( de voorlopers van onze banken ). De cheque in de vorm van een wisselbrief was een uitvinding van hen. Hun vermogen was zo groot dat de nodige jaloezie niet kon uitblijven. In 1307 wilde koning Filips de Schone lid worden van de Tempelorde. Hij werd geweigerd. Toen begon hij een campagne tegen hen. Hij begon zijn haat tegen de Orde op te drijven tot hij er in sloeg om het vertrouwen te winnen van Paus Clemens V. Deze vaardigde een officiële bul 'vox in excelso' uit tegen de Orde op 22/3/1312 in de 'Palais du Pape' te Avignon. De eerste Pauselijke bul ‘Pastoralis Praeminentiae’ dateert van 22/11/1307. Geleidelijk aan werden alle bezittingen van de Orde geconfisqueerd en de leden veroordeeld. Op 13/10/1307, een vrijdagmorgen (3), werden alle Ordeleden op last van Philips de Schone gearresteerd. De Orde werd opgeheven in 1314 met de verbranding van Jacques de Molay en Geoffrey de Charnay, de laatste Grootmeester, op 19 maart te Parijs.

Omtrent de beweegredenen van de opheffing van de Orde van de Tempel is er al heel wat inkt gevloeid. Ik voel me zeker niet geroepen daar nog een andere hypothese aan toe te voegen. Een mogelijke aanwijsbare reden, gebaseerd op historisch onderzoek, vond ik in het werk van Krück von Porutzyn :

"Het ging Philips de Schone echter niet om militaire bekwaamheden of militair falen, nog minder om vergrijpen tegen de orderegel, zoals bijvoorbeeld het niet naleven van de geloften van kuisheid, gehoorzaamheid of persoonlijke armoede. Op grond daarvan kon geen orde worden opgeheven en geen vermogen worden geconfisqueerd. Het ging uitsluiten om één ding : daarom, dat naast de officiële statuten geheime regels zouden bestaan, waaruit de beweerde ketterij voor de gehele orde bewezen kon worden. Dit bewijs is nooit geleverd. Van de geheimgehouden ketterse statuten is nooit één spoor gevonden, hoewel hiernaar in de Temple, in alle kapittelhuizen en tenslotte over geheel Europa en daarbuiten tot Cyprus toe is gezocht." (4)

Niet alle Tempelridders ondergingen dit lot. Er waren afdelingen in Portugal, Spanje en in Schotland die aan de vervolgingen ontsnapten. In Portugal werd de Orde omgedoopt op 15/3/1319 tot ‘Orde van de Ridders van Christus’   (5) met hun hoofdkwartier in Tomar. Dom Henrique el Navegador ( 1394 - 1460 ) ( Hendrik de Zeevaarder ) werd Grootmeester van deze Orde. Hij was het die de eerste zeevaartschool stichtte op de Kaap Sao Vicente. Zij kozen als patroonheilige de priester-koning Johannes, een legendarische figuur. Dit alles was het gevolg van de bezittingen van de Orde van de Tempel en de duidelijk minder agressieve houding van de Portugese heersers. De wereldscheepvaart is op z’n minst aan hen te danken. In Spanje gebeurde nagenoeg het zelfde met de nieuw Ordenaam ‘Orde van Montessa’ en tot slot hetzelfde scenario in Schotland waar de Orde werd herdoopt tot ‘Orde van de Distel van Sint-Andreas van Schotland’. De distel is het nationaal embleem van Schotland.

In 1593 werd door 32 van deze Ordeleden de ‘Rose-Croix Royale’ opgericht. Deze laatste zouden hun invloed hebben laten gelden op de groei en evolutie van de Vrijmetselarij in de 17° eeuw.

Opvolging Grootmeesters van 1118 tot 1314

Hughes de Payns 1118-1136 / Robert de Craon 1136-1146 / Everard des Barres 1146-1149 / Bernard de Tremelai 1149-1153 / Andre de Montbard 1153-1156 / Bertrand de Blanchefort 1156-1169 / Philip de Milly 1169-1171 / Odo de Saint Amand 1161-1179 / Arnold de Toroga 1179-1184 / Gerard de Ridefort 1185-1189 / Robert de Sable 1191-1193 / Gilbert Erail 1193-1200 / Philip de Plessiez 1201-1208 / William de Chartres 1209-1219 / Pedro de Montaigu 1219-1230 / Armand de Perigord(?) -1244 / Richard de Bures 1245-1247 / William de Sonnac 1247-1250 / Reynald de Vichiers 1250-1256 / Thomas Berard 1256-1273 / William de Beaujeu 1273-1291 / Tibald de Gaudin 1291-1293 / Jacques de Molay 1293-1314.

Naast deze Orde werden er in deze periode nog andere Ordes opgericht :

De ‘Orde van de Priorij van Sion’, gesticht door Godfried van Bouillon, werd opgericht na de val van Jeruzalem op 15/7/1099. De oprichting van de ‘Orde van het Heilige Graf’ de‘Orde van de Hospitaalridders van Sint-Jan’ ook genaamd ‘De Orde van Sint-Jan van Jeruzalem’ volgden vrij snel na deze Orde. Enige jaren later volgden nog andere Ordes zoals de ‘Johanniterorde’ en de ‘Orde van Sint-Lazarus van Jeruzalem’.

De ‘Johanniterorde’ is ontstaan in Jeruzalem. De patroonheilige was Johannes de Doper. De hoofdzetel verhuisde doorheen de jaren via Akko, Cyprus, Rhodos naar Malta. In 1530 stond keizer Karel V de soevereiniteit van dit eiland af aan de Orde. Vanaf dan spreekt men van de ‘Maltezerorde’, de ‘Orde van Malta’ of de ‘Ridderorde van Malta’. Deze Orde, ook de meeste andere Ordes, bestaan vandaag nog altijd. In 1909 ontstond een Commanderij in Nederland en in 1932 een afdeling in België. Haast alle Ordes hebben internationaal verspreid Commanderijen.

Na het opheffen van de ‘Orde van de Tempel’ in 1314 gingen de in beslag genomen goederen en rijkdommen naar de Johanniterorde.

De ‘Orde van Alcantare’ opgericht in 1156 door de twee broers Suero en Gomez Fernandez in de grensstreek van Castilië was een gelijkaardige Orde die zich in de strijd had geworpen samen met koning Alfons IX tegen de Moren. Op 29/12/1177 werd ze door Paus Alexander III verheven tot geestelijke ridderorde. De stad Alcantare werd in 1218 als dankbetuiging door Alfons IX aan de Orde geschonken. Vanaf dan werd ze de Orde van Alcantare genoemd. Oorspronkelijk heette de Orde ‘Orden de San Julian de Pereiro’ wat zoveel betekent als de Orde van Sint-Julianus van de Pereboom. De Orde heeft een belangrijke rol gespeeld in de bevrijding van Spanje van de Moren. Ook deze Orde had macht en toezien. Om het verhaal van de Orde van de Tempel niet te herhalen werd tijdens de periode van grootmeester Juan de Zuniga de Orde gekoppeld aan de Spaanse kroon. De koppeling werd definitief onder het bewind van Karel V. In 1540 werd in deze Orde het celibaat afgeschaft. Ook deze Orde bestaat nog altijd. Het Ordeteken is een groen lint en een groene lelie op een kruis.

De ‘Orde van Calatrava’ opgericht in 1158 door Sancho III, Koning van Castilië, genaamd naar de stad Calatrava, was eveneens een vrij bekende Orde. De Orde was een militaire Orde opgericht tegen de aanvallen van Abu Yaqub Yusuf ( 1163 - 1184 ). Deze laatste was vooral aktief in Andalusië. De Orde was ontstaan nadat de Tempeliers de stad Calatrava hadden verlaten en zich in San Raimundo de Fitero hadden gevestigd. In 1164 werd de Orde in een pauselijke bul van Alexander III bevestigd. Vanaf 1187 volgt de Orde de Orderegel van Sint Benedictus welke door Paus Celestine III ( 1191 - 1198 ) in 1192 werd bevestigd. Tijdens de periode van Fernando Rodrigues Monteiro, de Meester van de Orde in Portugal, werd de naam van deze Orde in 1224 gewijzigd in de ‘Orde van Aviz’. De Orde onderging in de volgende eeuwen nog talrijke wijzigingen. De Orde van Aviz kreeg bij het concilie in 1436 een andere Orderegel. In 1551 werd de Orde toevertrouwd aan de Kroon van Portugal. In 1789 en tenslotte in 1894 werd de Orde herdoopt in ‘De Koninklijke Militaire Orde van Sint Benedictus van Avis’. De Orde bestaat nog en staat sinds 1986 onder de voogdij van de President.

De ‘Orde van Sint Jan van Compostella’ werd opgericht naar de patroonheilige van Spanje in 1171. In die periode was Spanje verdeeld in twee rivaliserende gebieden, Castilië onder de heerschappij van Alfonso VIII en Ferdinand II van Léon. De Orderegel kwam van Kardinaal Jacinto ( later Paus Celestine III ). In tegenstelling tot de voorgaande Ordes was de ‘Orde van Sint Jan van Compostella’ opgericht onder de regel van Augustinus. Dit laatste werd bevestigd in 1175 door Alexander III op voorstel van Kardinaal Jacinto. Samen met de ‘Orde van Alcantare’ en de ‘Orde van Calatrava’ beschikten ze over niet minder dan 83 commanderijen, twee steden, een kleine tweehonderd privé-villa’s, vijf kloosters en de daaraan verbonden hospitalen. De eerste commanderij ‘Abrantes’ werd gesticht in 1172 in Portugal onder de regering van Alfonso I. De eerste Grootmeester, Pedro Fernandez de Fuente Encalato, stierf in 1184. Hij werd nog opgevolgd door 39 andere Grootmeesters tot in 1522. De drie Ordes samen kende Ridders tot in Frankrijk, Italië, Hongarije en Palestina. Na 1522 werd ook deze Orde aan de kroon toevertrouwd. Karel V stichtte hiervoor een speciale raad om de drie Ordes onder zijn verantwoordelijkheid te beheren.

De ‘Teutoonse Orde’ opgericht in Akko in 1189 stond onder Duitse ( Pruisische ) heerschappij. Deze Orde had tot doel, wat overigens voor alle Ordes gold tijdens de Kruistochten, een hulp te zijn voor de Kruisvaarders. Het bouwen van hospitalen behoorde tot de taken van deze Ordes. Op 6/2/1191 verandert de Teutoonse Orde, onder invloed van een bul van Clemens III, in ‘Hospitale Sanctae Mariae Theutonicorum in Jerusalem’. De bezittingen van deze Orde waren verdeeld over een groot deel van Europa. Deze Orde verleende haar medewerking aan de ‘kerstening’ van Pruisen en Lithouwen. Door deze kerstening ontstonden de vroegste steden in Pruisen zoals Konigsbergen, Elbing en Danzig. Deze steden waren de bolwerken van deze Orde. De vierde Grootmeester van deze Orde van 1210 tot 1239 was de grondlegger van de Duitse-Ordestaat waaruit later het koninkrijk Pruisen zal ontstaan. De ‘Ridders van Dobrzin’ ( 1235 ) en de ‘Zwaardbroeders’ ( 1235 ) werden in de Duiste Orde opgenomen tijdens het Grootmeesterschap van Barletta ( 1170 - 20/3/1239 ).

De Orde verlegde haar hoofdkwartier van Akko naar Venetië en tenslotte naar Mariënburg in 1275.

Aan het hoofd van deze Orde stond de ‘meester’ en kort hierna werd dit ‘hoogmeester’ en ‘grootmeester’. De Orde was verdeeld in Balijen gelijkaardig aan de Commanderijen van de Orde van de Tempel. Alden Biesen ( België ) was een van deze Balijen en was het hoofdkwartier van de Orde van 1332 tot de Franse revolutie.

Vanaf de 15° eeuw moet de Orde aan macht en aanzien inperken om haast op te houden te bestaan tijdens de veroveringen van Napoleon in 1809 en 1811. In 1815 is er een opflakkering van nog twee resterende Balijen te Oostenrijk en in Nederland. De Oostenrijkse Balije werd opgeheven in 1938 door Adolf Hitler. De Nederlandse Orde bleef bestaan en blijkt sinds 1945 aan een heropleving toe.

Geen van bovenstaande Ordes, allen ontstaan in Jeruzalem, zijn geen occulte of mystieke broederschappen. Nochtans hebben juist deze Ridderordes de Oosterse cultuur in onze samenleving binnengebracht.

Vele van deze Ordes bestaan nog en zijn meestal overgedragen binnen de vorstenhuizen en de adel.

Een gelijkaardig verhaal aan de vervolging van de Katharen, de Albigenzen en de Tempeliers vinden we in Italië en Corsica met name de ‘Giovanelli’ en de ‘Fraticelli’.

Beide mystieke Ordes inspireerden zich vooral op Franciscus van Assissi die in 1210 zijn kloosterorde had opgericht. Het grote kenmerk van beide Ordes was hun afkeer van de kerkelijke hiërarchie.

De Giovanelli werden gesticht te Marseille in 1352 door Giovanni Martini. Martini was een opvolger van de Kathaarse traditie. De Giovanelli hadden sterke relaties met de Fraticelli gesticht door Ristoro de Carbini en hadden grote verwantschap met broederschappen uit de Langue d’Oc. Armoede, nederigheid en naastenliefde waren hun basisbeginselen. Zowel mannen en vrouwen werden als mekaars gelijke beschouwd en ze recruteerden uit alle sociale klassen. Op het Oostelijk gedeelte van Corsica groeiden zij snel uit tot een ware broederschap waarbij ze elkaar broeder en zuster noemden. Giovanni Della Grossa was hun leider.

Een opmerkelijke sociale factor van deze broederschap, wat overigens een tijdsfenomeen was en eveneens bekend was bij de Katharen, was hun verdediging van het gewone volk. Dit laatste en vooral de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen was zeker niet naar de zin van de Rooms Katholieke Kerk. Terwijl de Kerk eerder feodaal gezind was hoeft het dan ook niet te verwonderen dat zij deze Ordes als sociale omwentelingen beschouwden. De Orde trok na verloop van tijd de nodige aandacht van aartsbisschop Raymond van Aleria. Samen met de bisschop van Pisa werden de Ordeleden geëxcommuniceerd. Een aantal documenten van deze geschiedenis werden gepubliceerd in ‘Corsica Antica et Moderna’. Het eerste protest van deze Orde kwam van broeder Ristoro. Hij legde officieel klacht neer bij notaris Pierre Ricci te Bonifacio. Het document werd later bevestigd door notaris Michel Radulfi te Marseille op 20/8/1352. Op 28 mei 1354 werd een poging ondernomen in het aartsbisdom van Pisa om deze Orde in ere te herstellen, echter zonder resultaat. Op 16 juni 1354 volgde de definitieve vervolging van de Orde getekend door de aartsbisschop van Pisa. Een kruistocht tegen de Giovanelli werd uitgeroepen door Paus Urbain V in 1362.(6) De Giovanelli werden aangevallen door de pauselijke troepen in de buurt van Novale. De Giovanelli werden op Corsica volledig uitgemoord.

De Fraticelli bleven voorlopig buiten alle vervolging. De Fraticelli stelden zichzelf voor als de spirituele Franciscanen. Franciscus van Assisse had na 1220, namelijk in 1221, een Orde gesticht toegankelijk voor mannen en vrouwen die zelfs gehuwd konden zijn. Zeker niet alledaags voor de dertiende eeuw. Ze noemden zichzelf de Fraticelli.

Paul Arrighi shrijft hierover :

"Vers la même époque ( 1370 environ ) se situe une curieuse déformation du grand mouvement mystiques noté en Italie et en Provence un siècle plustôt, consécutif aux terreurs de l’an mille, au franciscanisme, aux prophéties ‘millénaristes’, de Joachim de Fiore, et qui produisit la prolifération des confréries, l’apparition dans le Nord et spécialement en Ombrie, des compagnies de disciplinati, flagellants et autres batutti." (7)

Er volgde een nieuwe kruistocht tegen de Fraticelli in 1369 en 1372 uitgeroepen door Inocentius VI.(8)  Gregorius XI (9) stuurde de Inquisitie. Het gevolg was een massale afslachting van deze Orde door de officiële gevestigde Kerk.

 

De situatie in Vlaanderen

In 1856 verscheen in het tijdschrift ‘La Belgique’ een studie van de hand van kanunnik De Haerne. De Haerne was één van de revolutionaire leiders in 1830 en later volksvertegenwoordiger. Hij was naar Schotland gereisd en had daar ontdekt dat er bindingen bestaan tussen Schotland en Vlaanderen. Zelf schrijft hij : "In de Middeleeuwen weken een groot aantal Vlamingen, om economische redenen en aangemoedigd door de koningen, uit naar Engeland en Schotland."

Talrijke familienamen zijn van Vlaamse oorsprong : Clarebut, Cozens, Dekewer, Dale, De Hane, Leeman, De Winck, Fleming, Volder, enz..

Volgens De Haerne bevat de Schotse woordenschat een tweehonderdtal woorden en uitdrukkingen afkomstig uit de streek van Vlaanderen. Vooral aan de Oostkust van Schotland vinden we hier treffende voorbeelden.

Het boek ‘Géants et Gueux de Flandres’ van Frederik Tristan bevestigd deze stelling. Deze schrijver gaat er van uit dat de Orde van de Tempel, of Tempeliers, zich genoodzaakt zagen naar Engeland en Schotland uit te wijken gezien de vervolgingen door Clemens V in Frankrijk. Er bestond een culturele uitwisseling tussen Jeruzalem en Vlaanderen. Het syncretisme eigen aan de Orde van de Tempel kende veel wetenschap en techniek uit het nabije Oosten en werd geïmporteerd door de Orde in onze streken. De klassieke heirbanen, aangelegd door de Romeinen, waarvan Bavay ( Bavacum ) in Noord-Frankrijk, nabij de Belgische grens het centrum was, kon moeilijk anders dan de hoofdweg zijn naar de Oosterse cultuur.

De afbeeldingen van de Griekse goden Castor en Pollux namen onder invloed van dit syncretisme de gedaante aan van de Christelijke heiligen Comus en Damianus of Gerrasius en Protias. Ze werden verzinnebeeld op het zegel van de Orde als de twee ridders op een paard.

In deze periode werden in Vlaanderen talrijke abdijen gesticht met als doel een verzamelplaats te zijn van monniken, avonturiers en Ordeleden van de Tempel. Men noemde ze aanvankelijk Ordehuizen. Talrijke Ordehuizen vinden we in de omgeving van Huy, Warmont, Haneffe en Villers-le-Temple. Villers-le-Temple draagt er zelfs de naam van. Deze Ordehuizen zijn ons beter bekend onder de naam Commanderijen. Villers-le-Temple was een grote commanderij net zoals Vaillampont nabij Nijvel (Nivelles). De eerste bloei van de Orde van de Tempel situeerde zich vooral in de Champagnestreek.

Bij de ontbinding van de Orde in 1312 werden deze Commanderijen bedreigt en talrijke tempelridders verhuisden naar Oostelijk-Vlaanderen. Zo ontstonden in een tweede faze nieuwe Commanderijen.

Lodewijk de Plaven, Commandeur van de Orde te Gent, zou in maart 1314 zijn vriend Johan de Rudford een zending hebben toevertrouwd voor Schotland. Frederik Tristan vond in de documenten van bovenvermeld Commandeur de volgende tekst :

"Sedert lange jaren zijn wij ervan overtuigd dat sommige bouwgilden, in het bijzonder die van de steenhouwers en metselaars, het merendeel van onze geheimen kunnen ontvangen zonder ze volledig te begrijpen. Daarom zullen wij hen, boven hun ambachtelijke graden van leerling en gezel, aansporen tot andere graden, welke voorbehouden zullen zijn aan de besten en discreetsten, die natuurlijk door ons gekozen zullen worden. Deze nieuwe graden zullen in symbolische vorm enkele van onze geheimen bevatten.

Op dit ogenblik zijn in Schotland op ons initiatief en zonder dat wij in de openbaarheid treden, drie werven geopend. Op dezelfde wijze moeten op andere plaatsen andere werven begonnen worden."

Deze gilden, die weelderig bloeiden, verzamelden zich in ‘Lodges’. Hiervan is het begrip Loge afkomstig. De grote sociale invloed bewerkstelligd door deze gilden is dat zij, in hun met naar schatting 9000 Commanderijen, over gans Europa talrijke individuen aantrokken die op deze wijze het beroep van bouwvakker leerde kennen. Het gebruik van de wisselbrief - voorloper van de cheque - zorgde voor een enorme economische bloei waar Vlaanderen in de vroege Renaissance al zijn vruchten kon plukken. Deze periode in de geschiedenis stelde dan ook een einde aan het feodale systeem. De Kerkelijke hiërarchie en de almacht van de leenheren stortte in elkaar. Het is dankzij deze ontwikkeling dat de burgerij ontstond. Dit was het begin van de zelfstandige werknemer onafhankelijk van de leenheer die op eigen initiatief de kern vormde van alle ekonomische aktiviteit. Dit was het begin van de welvaart in West-Europa te danken aan de investeringen van de Orde van de Tempel.

Zo brachten de Tempeliers de windmolen, de inrichting van het ziekenhuis en vele bouwtechnieken mee die zij hadden leren kennen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika.

In 1302 werd het feodale tijdperk te pletter geslagen. Het was de overwinning van de stedelijke milities op het feodalisme. De boerenslaven werden vervangen door handelaars en individuele ondernemers en werknemers. De uitbating van de gronden door de feodale leenheren moesten plaats maken voor het roerend kapitaal en de investeringen in de bouw die er op volgde.

Dat Vlaanderen hierin ‘primeur’ was is niet te verwonderen. Terwijl in Frankrijk de Orde werd vervolgd werd de kennis van de Tempelorde hier verder gezet. Ook Duitsland en later Portugal en Spanje volgde dit voorbeeld.

Talrijke cultuurelementen uit het nabije Oosten vestigde zich steeds meer en meer in onze late Middeleeuwse cultuur. De woorden alchemie, algebra, alcohol, pyjama, enz. zijn Arabisch in oorsprong. Het Romeins cijferschrift moet plaats maken voor het Arabisch cijferschrift. Het Arabisch cijferschrift was evenwel geen uitvinding van de Arabieren. Zij hadden het meegebracht met hun overheersingstochten uit Indië. De Arabisch cijfers ( cifra ) zijn van Indische origine. Mohamed Ibn Moesa al Chawarisme uit de negende eeuw vertaalde werken uit het Sanskriet naar het Arabisch. In dit boek komen voor het eerst de Arabische cijfers tot uitdrukking die in feite uit Indië afkomstig zijn. De kennis van de wiskunde, astrologie en geneeskunde werd in onze cultuur geïmporteerd. De laatste resten van het Romeins cijferschrift vinden we nog in de twintigste eeuw in de uitgiftedata van boeken. Ook dit lijkt de laatste jaren uit onze samenleving te verdwijnen.

Uiteraard mag niet alles toegeschreven worden aan de Orde van de Tempel. Ook de tijdsgeest was hiervoor rijp. Maar dankzij de tijdsgeest en juist aangewakkerd door de ideeën en idealen van de Orde werd het hele mechanisme gestimuleerd. Niet alleen materiële goederen werden geïmporteerd ook ideeën werden via de Romeinse heirbanen tot bij ons gebracht. Het idee van vrijheid van denken is een typisch voorbeeld uit deze periode. De vrijheid van ondernemen en denken die zo typisch was aan de Arabische cultuur werden in onze samenleving de basis van de nakende Renaissance.


(1) Deze theorie vinden we later terug in het Synarchisme van Saint-Yves d’Alveydre ( zie hoofdstuk 1850-1900 Frankrijk : de voorgeschiedenis )

(2) Mysterium Conjunctionis ( twee delen ) Carl Gustav Jung - Albin Michel - Paris 1971

(3) Hier vinden we de oorsprong van het bijgeloof omtrent ‘vijdag de dertiende’

(4) M.J.Krück von Porurzyn ‘Het proces tegen de tempelridders’, ‘een bericht over de vernietiging van de orde’, 1983 - Christofoor - Zeist - blz. 64

(5) Ordem de cavallaria de nosso senhor Jesus Christo

(6) Histoire de la Corse - A.F.Filippini - U.Muntese, Bastia 1963

(7) Histoire de la Corse - Paul Arrighi - 1966

(8) Histoire Secrète de la Corse - Jean-Victor Angelini, Albin Michel

(9) Storie Fiorentine, Lib. XII, capitole 99 - Giovanni Villani

 

1