DE INVLOEDEN VAN HET ESOTERISME TIJDENS DE 16° en 18° EEUW


In werkelijkheid is het noch het zilver noch het goud welke de gelukzaligheid brengt ; het is niet de donder noch de bliksem die de macht uitmaken : wel de kennis van de wetenschap en de wijsheid.

( Isis en Osiris, Plutarchus )

 

De grootste invloed van de Alchemie, de Kabalah en de Astrologie vinden we in de Renaissance.

Na de vertalingen van Marsilius Ficinus begon in de tweede helft van de 15° eeuw een grote bloei van deze ideeën. Het Corpus Hermeticum dat ontdekt werd in Macedonië kreeg een eerste Latijnse vertaling in 1471. Het boek kende een zodanig succes dat men reeds aan de 25° editie was voor het jaar 1640. De ontdekking van deze haast verloren gegane manuscripten koppelden de Westerse beschaving terug aan haar wieg, de Griekse cultuur.

De Academia Platonica van Ficinus had in de 16° eeuw reeds een aantal andere ‘academia’ of instituten in het leven geroepen. Deze academia waren niet alleen de eerste verzamelplaatsen van humanisten maar eveneens de eerste groeperingen van aanhangers van de Hermetische traditie. Sommigen van deze academia waren echte broederschappen. Uit vrees voor represailles van de Kerk gedroegen ze zich veelal als gesloten gezelschappen waar men niet zo maar toegang kreeg. Terecht behoren zij tot de ‘occulte’ genootschappen. Zo waren er in de 18° eeuw reeds een kleine vijfhonderd groeperingen die zich allen academia noemden. Talrijke vooraanstaanden uit allerlei culturele denkrichtingen sloten zich hier bij aan. Johann Wolfgang Goethe ( 28/8/1749 - 22/3/1832 ) werd bijvoorbeeld lid van de ‘Arcadische Academie’. Zijn bekende uitspraak ‘Et in Arcadia Ego’ ( Ik ben in Arcadië geweest ) was een duidelijke verwijzing naar deze instelling.

Ficino was niet de enige vertaler van de werken van Plato. Veel voorbereidend werk was reeds volbracht door Collucio Salutati en Leonardo Bruni. Het groeperen van alle werken van Plato, Hermes en anderen was de grote verdienste van Ficino.

Hongarije was het eerste land dat in contact kwam met de nieuwe ideeën uit de Italiaanse Renaissance. Hongarije was een groot uitgestrekt land veel groter dan vandaag. Matthias Corvinus, koning van Hongarije, was een enthousiast volgeling van Ficino. Corvinus legde evenals Ficino een grote verzameling handschriften en boeken aan. De bibliotheek kreeg zijn naam. De bibliotheek was gevestigd te Pozsony. De Duitse wiskundige en astronoom Regiomantinus ( Johannes Müller van Königsberg ) kwam les geven aan de universiteit van Pozsony. Regiomantinus is bekend bij astrologen. Hij maakte de formules voor het berekenen van de huizen in de astrologie. Zijn berekeningsmethode wordt vandaag nog altijd toegepast.

Onder Ficino’s navolgers kennen we verder nog Francesco Bandini, Picco della Mirandola, Lorenzo di Medici en de schilder Alessandro Botticelli ( 1445 - 1510 ).

Een van de minder bekende werken dat Ficino vertaalde was het werk van Iamblichus met de titel ‘Mysteries van de Egyptenaren en de Assyriërs’. De vertaling was klaar in 1489. In 1490 volgden twee werken van Pythagoras, de ‘Symbola’ en de wereldberoemde ‘Gulden verzen’. Hij vertaalde nog werken van Porphyrius, Psellus en Priscianus. Allemaal Neo-Platonici uit de eerste eeuwen na Christus.

Ficino’s vader was arts. Ficino schreef een boek over geneeskunde ‘De Triplici Vita’. In drie delen beschreef hij de geneeskunde in een holistische levensvisie. Hij vertelde dat hij twee vaders had. Zijn eigenlijke biologische vader en Cosimo de Medici, zijn spirituele vader.

Frankrijk volgde vrij snel de invloeden van Ficino op. De eerste filosoof was Lefèvre d’Etaples, professor, priester en filosoof uit Parijs. Ficino correspondeerde met de politieke leiders uit Frankrijk. Een andere bekende figuur was Briçonnet. Deze werd vanaf 1516 bisschop te Meaux. Hij was de spirituele leraar van Margaretha van Navarra ( Margaretha van Valois ), zuster van koning Frans I. Deze laatste werd de voortrekker van het Humanisme in Spanje. Ook Engeland kwam onder de invloed van de ideeën van de Italiaanse school. William Shakespeare ( 1564 - 1616 ) en Henry Moore waren de belangrijkste. Dezelfde ideeën vinden we later in de Royal Society.

Ook Nederland en Vlaanderen kwamen vrij snel in contact met de ideeën van Ficino. Een van zijn correspondenten was Paul van Middelburg. Vanaf 1490 werd te Deventer de Griekse taal bestudeerd. Het Grieks werd niet bestudeerd in de Middeleeuwen. Ook dit werd de grote bijdrage aan de Westerse cultuur van Ficino.

In Vlaanderen vinden we in Brugge Juan Luis Vives ( 1492 - 1540 ). Hij was van Spaanse afkomst en had in Engeland gestudeerd.

Ook Duitsland kende de eerste Hermetische filosofen zoals Agricola von Frisia ( 1443 - 1485 ), de hertog van Würtemburg en Martin Prenninger professor te Tübingen. Het was in deze stad waar later sprake zal zijn van de Rozekruisers. Ook andere broederschappen zagen het levenslicht in deze periode van de geschiedenis. Conrad Celtis ( 1459 - 1508 ) stichter van de ‘Sodalitates Danubiana’ ontleende het voorbeeld van de Academia Platonica van Ficino. Stap voor stap werd heel Europa verovert.

Na de dood van Marsilio Ficino werd de Academia verder gezet. De eerste opvolger werd Francesco Cattani da Diaccetto. De Academia werd stilaan ook toegankelijk voor kunstenaars. Bernardo Rucellai leidde een gelijkaardige Academia waarvan Macchiavelli lid was. De meeste filosofen, kunstenaars en vele andere intellectuelen behoorden tot de Academia. Zo wilde Leonardo da Vinci zijn eigen Academia in Milaan. Gelileo Galilei was dan weer een van de leden van de groep van Lincei. Dezelfde ideeën zetten zich verder in de 16° en 17° eeuw.

In de 16° eeuw vinden we andere vertalingen van het Corpus Hermeticum, of beter gezegd gedeelten ervan, door Ludovico Lazarelli ( 1507 - 1549 ), Foix de Candale en Hannibal Rossel. De eerste volgelingen van de Hermetische traditie waren Symphorius Champierus, Francesco Giorgi di Venetia en Henricus Cornelius Agrippa ( 1486 - 1535 ). Deze laatste schreef een werk ‘Occulta philosophia’ in 1533 dat tot de klassieke werken behoort van de Hermetische filosofie. Andere schrijvers zoals John Dee ( 1527 - 1608 ) met de ‘Monas Hiëroglyphica’ en Giordano Bruno ( 1548 - 1600 ) zijn ook al geen onbekenden.

John Dee liet zijn ‘Monas Hiëroglyphica’ (1) drukken bij Christopher Plantin ( 1520 ? - 1/7/1589 ) in 1564 te Antwerpen. John Dee had dit werk geschreven in slechts twaalf dagen (2). Dit riep meteen de vraag op wat de relaties waren met John Dee en Vlaanderen. John Dee bezocht geregeld de stad Antwerpen. Hij vertoefde eveneens te Brussel en te Leuven waar hij in 1548 studeerde.

Op 30/4/1550 was hij in Antwerpen waar hij Abraham Ortelius, collega cartograaf van Gerard Mercator, ontmoette. Hierna vertrok hij naar het hof van Karel V te Brussel en op 25/5/1550 was hij te Leuven. Hij verbleef twee jaar in Leuven waar ook Henricus Cornelius Agrippa had gestudeerd (3).

Omtrent diezelfde tijd bestond het ‘Huys der Liefde’ of de ‘Domus Charitatis’ (4) gesticht in 1540. Deze broederschap kende zowel Katholieken als Protestanten en andere hervormde gezinden die zonder enige dogmatiek mekaar erkende. De stichter ervan was Hendrik Niclaes (   H.E.Dosker  )( 1502 - 1580 ). Een van de geestelijke leiders was Hendrik Jansen Barrefelt ( Henrick Jansen ), afkomstig uit de Zuidelijke Nederlanden en tevens bekend onder de pseudoniem ‘Hiël’. Of John Dee lid was van deze broederschap is niet meteen duidelijk. Abraham Ortelius was er lid van. Het is geweten dat John Dee geregeld een boekenwinkel van de ‘Family of Love’ te Londen bezocht (5). Abraham Ortelius vriend van Mercator waren ook vrienden, student-tijdgenoten van John Dee aan de Uinversiteit van Leuven. De contacten tussen deze drie humanisten waren veelvuldig en bleven lange tijd bestaan. De ‘Domus Charitatis’, die een humanitaire groepering was, kende internationale belangstelling. In Groot-Brittannië waren ze bekend onder de naam ‘Family of Love’. Vooral in Londen hadden ze een groot aantal volgelingen. De groepering werd echter vrij snel verketterd en vervolgd.

Christopher Plantin, afkomstig uit Tours - Frankrijk, vestigde zich vanaf 1549 te Antwerpen. Hoe hij daar precies in contact is gekomen met deze broederschap is niet duidelijk. Plantin nam het leiderschap van deze broederschap op zich in de eerste jaren van zijn verblijf (6). Vermoedelijk is de reden te vinden in de financiering van zijn drukkerij door deze broederschap.

In 1562 brak er een crisis uit in Antwerpen tengevolge van de onverdraagzaamheid tussen Katholieken en Protestanten. De beslissing genomen door de stad Antwerpen om alle ‘ketterse’ invloeden te weren trof uiteraard de drukkers en boekhandelaars. Door het Edict van Worms moesten alle ketterse boeken verbrand of op z’n minst aan de autoriteiten worden overhandigd. De drukkerij Plantin kwam als eerste op de index te staan en Plantin werd ervan verdacht te behoren tot de ketters. Het bezitten van ketterse geschriften was geen sinecure in die tijd. Jacob van Liesvelt, Adriaan van Bergen en Jan van Waesberghe (7) werden onthoofd omdat zij o.a. werken van Luther hadden uitgegeven. Ook anderen volgden in de waanzin van de strijd om de ‘waarheid’. Dit gebeuren is een van de meest ingrijpende beslissingen geweest van de stad Antwerpen inzake godsdienstgeschillen.

Plantin werd vervolgd en door de Inquisitie verhoord. Het onderzoek stelde Plantin echter vrij van ketterse invloeden. Zijn katholieke afkomst loog daar niet om. Al zijn bezittingen werden op last van de schuldeisers in beslag genomen en verkocht. Plantin zag zich genoodzaakt uit te wijken naar Parijs. In 1563 keerde hij terug naar Antwerpen waar hij definitief zou verblijven op twee jaar na toen hij woonachtig was te Leiden.

De boeken die Plantin van Hendrik Niclaes had gedrukt waren echter allemaal in het geheim uitgegeven. In 1567 zou Plantin hebben gebroken met het Huys der Liefde maar knoopte onmiddellijk vriendschapsbanden aan met Hiël. De groepering rond de figuur van Hiël werd door de autoriteiten gedoogd. In werkelijkheid was binnen de broederschap een splitsing ontstaan in 1576 waar Hendrik Jansen van Barrefelt zich als nieuwe leider ontpopte (8). Hij noemde zijn volgelingen 'Lief-hebbers der Warheyt (9).

In 1580 overleed Hendrik Niclaes en Christopher Plantin in 1589. De angst voor de vervolging had blijkbaar zijn nut gehad. In 1580 circuleerde een handschrift met een Nederlandse vertaling van het boek '‘Pimandre’’ uit het Corpus Hermeticum van Hermes Trismegistus (10). In dezelfde periode gaat het werk ‘De la vérité de la religion chrestienne’ van Philippe Du Plessis-Mornay ( 1549 - 1623 ) ter perse bij Plantin. Dit boek was gebaseerd op de geschriften van de Gnosis van Hermes Trismegistus. Du Plessis-Mornay had gebruik gemaakt van een manuscript van de Franse alchemist Foix de Candale. Het manuscript van Foix de Candale was op zijn beurt afkomstig van Turnebus ( 1554 ) en was een copie van het oorspronkelijk Grieks manuscript waar ook Marcilius Ficinus in 1471 een kopie van bezat. Op deze wijze kwam het manuscript in handen van Christopher Plantin en de ‘Domus Charitatis’. Een ander aspect van Plantin, dat weinig geweten is, is dat hij brieven schreef met Guillaume Postel die de eerste vertaling maakte van de Sepher Yetzirah.

Later volgden Robert Fludd, Robert Cadworth, Henry Moore ( 1614 - 1687 ) en Athanasius Kircher ( 2/5/1602 - 27/11/1680 ) als de dragers van andere ideeën. Kircher bestudeerde de relatie tussen het Hermetisme en de Egyptische overleveringen. Athanasius Kircher was een typisch neo-platonisch denker uit de 17° eeuw.

Als Jezuïet moest hij tijdens de dertig jarige oorlog Duitsland ontvluchten en bracht het overgrote deel van z’n leven door in Rome zonder evenwel de meeste landen van Europa te hebben bezocht. Kircher is een typisch voorbeeld van een synchreticus. Hij vergeleek alle godsdiensten met elkaar, zoals het Hindoeïsme, de godsdiensten van Midden-Amerika en China. Hij destilleerde hieruit een aantal principes welke hij zeer uitgebreid beschreef in zijn monumentaal werk ‘Oedipus Aegyptiacus’ ( drie delen geschreven tussen 1652 en 1654 ). Hij bracht deze principes als ‘archeï’ terug tot de oorsprong van alle godsdiensten namelijk de Egyptische beschaving. Hij was de eerste die een poging ondernam om het Egyptisch Hiëroglyphenschrift te ontcijferen lang voordat de steen van Rosette was ontdekt. Hij was een fervent voorstander van de werken van Hermes Trismegistus, de Kabalah, de Muziek en de Wiskunde. Hij was een van de eerste die het magnetisme bestudeerde. Samen met Ashmole was hij de eerste die een museum opende. Hij hield van de beginselen van de Alchemie en Astrologie. Als archeoloog zocht hij naar de wortels van de beschaving die hij meende te moeten vinden in de Egyptische cultuur. Kircher had een enorme talenkennis wat hem er toe aanzette de oude Koptische taal te bestuderen welke hem tenslotte inzicht gaf in het Hiëroglypenschrift. In zijn ‘Ars Magna Lucis’ experimenteerde hij als eerste met bewegende beelden.

Hij schreef talrijke werken : ‘Ars Magnesia’ (1631) De eerste publikatie omtrent magnetisme. ‘Primitiae gnomonicae catoptricae’ (1653) een werk over astronomie, ‘Prodromus coptus sive Aegyptiacus’ (1636) een werk over de Egyptische taal, ‘Specula Melitensis encyclica’ (1638) over kalenders en astronomie, ‘Scrutinium pestis physico-medicum’ (1640) een werk over microscopische waarnemingen, ‘Magnes, sive de Arte Magnetica’ een zeer uitgebreide studie over magnetisme, ‘Lingua Aegyptiaca restituta’ (1643) over de Koptische taal, ‘Ars magna lucis et umbrae’ (1646) over astronomie en optica, ‘Rituale ecclesiae Aegypticae sive cophtitarum’ (1647) een vertaling van de Koptische liturgie, ‘Musurgia universalis’ (1650) een verhandeling over muziek, ‘Obeliscus Pamphilius’ (1650) over de obelisk die vandaag in de Piazza Navona te Rome staat, ‘Oedipus Aegyptiacus’ zijn werk over filosofie, mytholgie en Egyptologie, ‘Itenerarium exstaticum’ (1656) over astronomie en ‘Iter extaticum II’ (1657), ‘Diatribe de prodigiosis Crucibus’ (1661) geschreven na een erruptie van de vulkaan Vesuvius, waar hij zelf bijna het leven liet, ‘Polygraphia nova’ (1663) een essay over een universele taal, ‘Arithmologia’ (1665) over getallensymboliek, ‘Historia Eustachio’ (1665) over een heiligdom dat hij ontdekt had te Mentorella, ‘Mundus subterraneus’ (1665) over geologie, ‘Obeliscus aegyptiacus’ (1666), ‘China monumentis’ (1667), ‘Magneticum naturae regnum’ (1667), ‘Ars magna sciendi’ (1669) gebaseerd op de werken van Raymondus Lullus, ‘Splendor et gloria domus Joanniae’ (1669), ‘Latium’ (1671) over Rome en zijn omgeving, ‘Phonurgia nova’ (1673) over akoestiek, ‘Arca Noë’ (1675) over de Ark van Noë, ‘Sphinx mystagoga’ (1676) over de ontdekte mummies in Memphis in 1672, ‘Tariffa Kircheriana’ (1679) over wiskunde en ‘Turris Babel’ (1679) over de oude beschavingen ten tijde van de Toren van Babel.

Een verhaal waar Athanasius Kircher bij betrokken was is het verhaal van het Voynich manuscript genaamd naar de ontdekker Wilfrid M.Voynich. Voynich ontdekte met de hulp van Strickland S.J. dit manuscript in 1912 in de villa Mondragone te Frascati in de buurt van de stad Rome. Het manuscript behoorde toe aan Petrus Beckx S.J. hoofd van de Jezuïeten. Het manuscript is geschreven in een onverstaanbare taal vervolledigd met afbeeldingen van planten en bloemen, waarvan men de herkomst niet kent, strerrenconstelaties ( die met astrologie te maken hebben ) en alchemistische diagrammen. Men neemt aan dat het manuscript ten vroegste zou zijn geschreven in de vijftiende eeuw. Voynich had de late dertiende eeuw vooropgesteld. Het manuscript telt 235 bladzijden.

Op basis van een brief van Johannes Marcus Marci van 1666 gericht aan Athanasius Kircher weten we dat Rudolf II het manuscript had gekocht voor een zeer hoge prijs. Voor sommigen werd het een alchemistisch geschrift voor anderen weer een geschrift over zeldzame planten. Het is wel zeker dat het manuscript heeft toebehoord aan Jocobus de Tepenecz botanicus aan het hof van Rudolf II. Op basis van historisch onderzoek zou Rudolf II dit manuscript in handen hebben gekregen in 1608. Sommigen zijn de mening toegedaan dat John Dee dit werk zou hebben gekend. Het heeft verwantschappen met de Stenographia en¨Polygrafia van Johannes Trithemius ( bisschop van Spanheim ) op wiens geschriften de rituelen van de Golden Dawn zijn gebaseerd. In de brief van Johannes Marcus Marci wordt gesuggereerd dat Roger Bacon ( 1214 - 1292 ) er de schrijver van zou zijn. Dr. Leo Levitov, een van de zovele onderzoekers naar de oorsprong van dit document, beweerd dat dit document van de Katharen zou afkomstig zijn. De beste onderzoekers, waaronder tevens computeronderzoek, hebben tot vandaag het geschrift nog steeds niet kunnen ontcijferen. Meestal wordt aangenomen dat het een taal is gebaseerd op een oud Vlaams dialect, oud Frans of oud Duits. Sommige onderzoekers zien er zelfs een oude Polynesische taal in. Andere beweren dat het een manuscript zou zijn gebaseerd op een oud Arabisch geschrift. Het laatste woord over dit mysterieuze manuscript is zeker nog niet gezegd. Het bevindt zich momenteel sinds 1969 in de Yale Universiteit onder de rubriek ‘Beinecke Rare Book Library’ met het catalogusnummer MS 408.

Ook in de hoek van de wetenschappers zoals Nicolaus Copernicus ( 18/2/1473 - 24/5/1543 ) treffen we invloeden van het Hermetisme aan. Copernicus verwijst naar het Hermetisme in zijn boek ‘De Revolutionibus’ uit 1543.

Ook de Kabalah nam in deze periode in aanzien toe. Schrijvers zoals Isaac Luria ( 1534 - 1572 ), Pico della Mirandola ( 24/2/1463 - 17/11/1494 ) en Johannes Reuchlin ( 1455 - 1522 ) met de ‘arte cabbalistica’ uit 1517 zijn zowat de gezagsdragers van de eerste boeken uit deze periode. Pico della Mirandola was lid van Ficinus’ Academia Platonica en een goede vriend van hem.

Paulus Ricius was de eerste die de Hebreeuwse teksten vertaalde naar het Latijn in 1515.

Henrico Cornelius Aggrippa, die veel interesse had voor Alchemie, liet ook zijn oog vallen op de Kabalah. De Franciscanen Pietro Galatino en Francesco Giorgi uit Venetië waren fervente bestudeerders van de Alchemie en de Kabalah. Giorgi schreef het boek ‘Harmonia mundi’ en ‘Problemata’ welke opgedragen waren aan Paus Clemens VII. Ook andere kerkelijke gezagsdragers zagen blijkbaar nut in deze gedachtenstroom. Kardinaal Egidio was er een van.

Giovanni Pico della Mirandola mag terecht de vader van de Kabalah worden genoemd. Pico had gestudeerd in Parijs, Bologna, Ferrara en Padua. Hij bestudeerde het Christendom, het Neoplatonisme, het Zoroastrisme en het Judaïsme. Hij was bekend met het Brahmanisme van de Hindoes. Hij onderzocht de Yogasutras van Patanjali tot de Merkavahmystiek gebaseerd op het boek van Ezechiël. Hij was op de hoogte van het Orphisme en kende de theorieën van Pythagoras. Ficino noemde hem de Hercules van de Filosofen. Hij werd slechts 31 jaar en mag terecht de Mozart van het Humanisme worden genoemd. Het grootste werk dat hij ooit aandurfde was een vergelijking tussen Plato en Aristoteles. Deze synthese heeft hij echter nooit kunnen voleindigen. Pico was de eerste die de theoretische beschouwingen uit de Kabalah trachtte te integreren in de Christelijke mystiek van de 15° eeuw. Het meest bekende werk van hem is ‘Oratio de dignitate hominis’ - over de waardigheid van de mens. In dit werk begint hij met de beroemde uitspraak van Hermes Trismegistus ‘magnum miraculum est homo’ - de mens is een groot mirakel. In 1792 leerde hij Johann Reuchlin kennen. Reuchlin laat zich overtuigen van de waarde van de Kabalah door Pico.

Een andere belangrijke figuur was Guillaume de Postel ( 1510 - 1581 ) die om zijn omstreden ideeën geëxcommuniceerd werd. In 1550 maakte hij een gedeeltelijke vertaling van de Zohar en de eerste vertaling naar het Latijn van de Sepher Yetzirah. Ook de werken van Robert Fludd ( 17/1/1574 - 8/9/1637 ) - ‘Summum bonum’ - uit 1629, staat sterk onder de invloed van de Kabalah en de Alchemie. Een ander basiswerk uit deze periode is de ‘Cabala denudata’ van Knor von Rosenroth ( - 1689 ), geschreven van 1677 tot 1684. Ook hij maakte een Latijnse vertaling van de Zohar.

De hele cultuur van de Alchemie en de Kabalah vond haar aanhangers over gans Europa. De Zwitser Theophrastus Bombastus von Hohenheim ( 10/11/1493 - 25/9/1541 ), leerling van Johannes Trithemius,  beter bekend als Paracelsus, vocht de leer van Galenus aan. Het was hij die de vierdeling van Galenus wijzigde in een ‘alchemistische drieledigheid’ welke hij kwik, zwavel en laudanum noemde. Hij was een bekend arts in zijn tijd en wordt vandaag beschouwd als de grondlegger van de moderne geneeskunde. Hij werkte in Salzburg, later als chirurg ( 1526 ) en tenslotte als hoogleraar te Bazel ( 1527 - 1528 ). Zijn theorieën waren zo revolutionair dat hij Bazel moest verlaten om tenslotte onderdak te vinden bij de aartsbisschop van Salzburg. Hij behandelde syfilis en beroepsziekten van mijnwerkers en ijzergieters. Hij gebruikte vaste preparaten waarvan er sommige naar alle waarschijnlijkheid opium bevatte.

Ook Vlaanderen kende grote alchemisten. Johann Baptist van Helmont ( 12/1/1579 - 13/12/1644 ), de uitvinder van de gasvormige toestand, en woonachtig te Vilvoorde, mag terecht tot de grote denkers gerekend worden. Hij was chemicus en wijsgeer, studeerde te Leuven en gaf reeds les op zijn zeventiende in de heelkunde. Hij reisde door heel West-Europa. Hij vestigde zich als geneesheer te Brussel en trok zich in 1606 terug te Vilvoorde. In die periode wijdde hij zich volledig aan alchemistische experimenten. Vanaf 1616 praktizeert hij opnieuw geneeskunde te Brussel. Hij was een volgeling van Paracelsus en zocht zoals velen van zijn tijdgenoten naar een universeel geneesmiddel. Hij schreef een aantal boeken waaronder ‘Magnetica vulnerum curatione’ uit 1621 wat hem heel wat last bezorgde met de kerkelijke overheid. De meesten van zijn boeken werden na zijn dood uitgegeven door zijn zoon Frans. In zijn boek ‘Dageraed, ofte nieuwe opkomst der geneeskonst in verborgen grondregelen der Natuur’ uit 1659, kennen we van Helmont als een vernieuwer inzake de kennis omtrent de geneeskunde.

In deze periode ontstaat ook de basis voor de broederschappen die vandaag nog bestaan.

Jacob Boehme ( 1575 - 1624 ) en Valentin Weigel ( 1533 - 1588 ) worden de grote inspirerende schrijvers voor Louis Claude de Saint-Martin waaruit later de ‘Orde der Martinisten’ zal groeien. Jacob Boehme zal in een afzonderlijk hoofdstuk worden besproken. Valentin Weigel, soms ook Weichel geschreven, studeerde Filosofie, Wiskunde en Natuurwetenschappen te Meissen. Nadien ging hij in Leipzig Theologie studeren. Weigel behoort tot de Neo-Platonici en was zeer sterk verknocht aan de duitse mystiek. Hij bestudeerde Meister Eckart en Johannes Tauler. Deze zienswijze wordt in Duitsland door prof. Wiedemann ‘der deutschen Ketzerbewegung’ genoemd.

Khunrath, Johannes Scheffler ( 1624 - 1677 ) beter bekend als Angelus Silesius, Oswald Croll, Tobias Hess ( 1568 - 1614 ) en Johann Valentin Andrea ( 17/8/1586 - 1654 ) behoren allen tot deze gedachtenstroom. Minder bekend zijn Th. Müntzer, A. Karlstadt en K. Schwenckfeldt.

Andere Alchemistische en Hermetische schrijvers uit de vroege 16° eeuw zijn Johannes Trithemius (11)( 1/2/1462 - 27/12/1516 ) en Jean-Baptiste Morin ( 1583 - 1656 ). Trithemius schreef het ‘Polygraphia - 1518’(12) , het ‘Corpus Historicam - 1723’ en het beroemde boek ‘Stenographia - 1610’. Het boek ‘Polygraphia’ zou in de negentiende eeuw de bron worden van de Cypher-manuscripten van de Golden Dawn.

Lambsprinck en Heinrich Khunrath behoren tot de neoplatonische denkers. Lambsprinck schreef de ‘Lapide Philosophico’ uitgegeven te Frankfurt in 1677. Trithemeus ( Abbé de Spanheim ) schreef liefst 54 werken over Alchemie, Kabalah en Astrologie. George Ripley ( -1490) schrijver van ‘The twelve gates of alchymy’ is een voorbeeld van het alchemistisch denken in Groot-Brittannië dat zeker niet moest onderdoen voor het Europese vaste land. Andere vertegenwoordigers van de Alchemie zijn Philalèthe Irinaeus ( 1623 - ), Cesare della Riviera ( 1538 - 1620 ), Michael Sendivogius ( 1566 - 1636 ), Salomon Trismosin en Basilius Valentinus.

Tot de groep van de eerder christelijk geïnspireerde alchemisten vinden we naast Jacob Boehme nog andere schrijvers zoals Johann Gichtel ( 1638 - 1710 ), J.W.Ueberfeld en William Law ( 1686 - 1751 ).

In de 18° eeuw en later krijgen we de grote inspirators van de eerste broederschappen uit de 18° eeuw zoals Samuel Richter ( Sincerus Renatus ), Emmanuel Swedenborg ( 1688 - 1772 ), Friedrich Christoph Oetinger ( 1702 - 1782 ), Karl von Eckarthausen ( 1752 - 1803 ), Friedrich-Rudolf Salzmann ( 1749 - 1821 ), Martinez de Pasqually (1727 - 1774 ), Louis Claude de Saint-Martin ( 1743 - 1803 ), Jean-Philippe Dutoit-Membrini ( 1721 - 1793 ), Johann Casper Lavater ( 1741 - 1801 ) en Nildaus Anton Kirchberger ( 1739 - 1799).

Duidelijke verwijzingen omtrent de esoterische principes vinden we bij de Britse dichter, tekenaar, graveur en schilder William Blake ( 28/11/1757 - 12/8/1827 ). Hij was sterk beïnvloed door Boehme en Swedenborg.

Een nieuw fenomeen in de West-Europese geschiedenis dient zich aan in het begin van de zeventiende eeuw. Tijdens de eerste jaren van deze periode worden er niet alleen talrijke uitvindingen gedaan maar zien we ook sociale en vooral religieuze hervormingen. De vrije manier van denken in deze periode loopt net parallel met de geschiedenis van het ontstaan van de broederschap van het Rozekruis. In 1600 wordt Giordano Bruno verbrand als ketter te Rome. In datzelfde jaar worden de Katholieken, onder het bewind van Karel IX, in Zweden vervolgd. Tycho Brahe ( 14/12/1548 - 24/10/1601 ) en Johannes Kepler ( 27/12/1571 - 15/11/1630 ) werken samen in Praag. In Groot-Brittannië wordt de ‘English East India Company’ gesticht welke de weg naar het verre Oosten definitief open maakte. In Duitsland wordt de telescoop ontwikkelt. In 1602 wordt de ‘Dutch East India Company’ gesticht naar het voorbeeld in Engeland in 1600. De Spanjaarden betreden Japan in 1602. Het eerste deel van Don Quichote wordt in 1605 gepubliceerd. In Rome wordt in 1605 de eerste openbare bibliotheek geopend. Sir Francis Bacon publiceert ‘The Advancement of Learning’. In de periode 1600 - 1610 worden de werken van Shakespaere, Ben Johnson, Thomas Campion, John Donne gepubliceerd. Galileo wordt de uitvinder van het kompas in 1605. Dezelfde Galileo maakt in 1608 de eerste telescoop. In Nederland worden de eerste cheques gebruikt. In 1609 wordt te München een ‘Katholieke Liga’ gevormd als tegengewicht voor de ‘Protestantse Unie’ die gesticht werd in 1608. In datzelfde jaar 1608 declareert   Keizer Rudolf II volledige godsdienstvrijheid in Bohemen. In 1609 arriveren de eerste goederen uit China waaronder thee welke de geliefkoosde drank wordt in Groot-Brittannië. In Amsterdam wordt in 1609 de eerste bank gesticht. In 1610 wordt het eerste boek gedrukt over scheikunde. In 1611 verschijnt de ‘King James’ bijbel. In 1611 wordt de Uinversiteit van Rome gesticht. In 1612 worden de laatste ‘ketters’ verbrand. In 1615 verschijnt Galileo voor de Inquisitie. In de Bohemen komen de Katholieken steeds meer in de verdrukking. John Harvey ontdekt in 1619 de bloedsomploop. Kepler’s boek over Copernicus wordt door de Rooms Katholieke Kerk op de index geplaatst.

In 1614 verschijnt de ‘Fama Fraternitatis’ een boek geschreven door een geheimzinnige broederschap genaamd de ‘Fratres Rosae Crucis’ of de ‘Orden des Rosenkreutzes’.


(1) Afkomstig van het Grieks ‘hieros’ wat heilig betekent en ‘glyphein’ wat schrijven, inkerven betekent.

(2) ‘John Dee ‘The World of an Elizabethan Magus, Peter J. French, blz. 38.

(3) ‘John Dee’ The World of an Elizabethan Magus, Peter J. French, blz. 28-29.

(4) Ook bekend onder de naam Familia Charitatis.

(5) J.A.Van Dorsten, The Radical Arts : First Decade of an Elizabethan Renaissance - Leyden, 1970 ) blz.26.

(6) Maurits Sabbe, geeft in zijn boek ‘De Meesters van de Gulden Passer’, op blz.27 aan dat Plantijn deel uitmaakte van deze groep vanaf 1550.

(7) ‘Christopher Plantin’ door Colin Clair, blz. 33.

(8) Prof.Dr.G.Quispel ‘De Hermetische Gnosis in de loop der eeuwen’, Tirion 1992, blz. 367.

(9) ‘Christopher Plantin’ door Colin Clair, blz. 31.

(10) Dit handschrift ( MS. M 40 ) bevindt zich in het Museum Plantin Moretus te Antwerpen.

(11) Een opmerkelijk verhaal omtrent Trithemius vinden we in het boek van Heidel ‘Johannis Trithemii Steganographia Vindicata reservata et Illustrata’ uit 1671 die het volgende verhaal optekende: "Toen hij sliep verscheen een jongen gekleed in het wit die twee schrijftabletten in zijn handen had, waarop geschreven was. De jongen zei tot hem dat hij één van de tabletten mocht kiezen. Hij koos er één waar wat op geschreven stond. De jongen zei toen: Voorwaar, God heeft je gebeden gehoord en zal aan je geven wat je gevraagd hebt, en zelfs meer dan je nodig hebt. Hij was toen slechts een jongen. De volgende dag, terwijl hij niet meer aan zijn visioen dacht, was hij vanaf dat moment zeer leergierig. Zijn ouders hoorden hem de volgende dag het alfabet herhalen, het gebed tot god met de engelengroet... en in een maand tijd was hij in staat om boeken in de Duitse taal te lezen."

(12) De meeste van de boeken van Trithemius werden na zijn dood uitgegeven. De data naast de titels zijn de uitgiftedata. Deze zelfde Duitse benedictijn was sterk gekant tegen de boekdrukkunst. Hij schreef dat de boekdrukkunst de mens zou vervreemden van de religieuze contemplatie. Daarnaast vertelde hij dat perkament beter de tijd kon doorstaan dan bedrukt papier.

 

 

1